De Peel is een gebied waar het door de zandgrond lastig is om de doelen voor nitraat in het grondwater te halen. Voor Bas is dat juist een reden om mee te doen. “Je moet zelf weten waar het goed en fout gaat. Alleen normen aanscherpen gaat het probleem niet oplossen.”
Op zijn melkveebedrijf komen veel factoren samen: bemesting, grondbewerking, gewasgroei en het weer. “Wij kunnen bemesten en telen, maar wat er vervolgens in de bodem gebeurt, is ontzettend complex”, vertelt Bas Aarts. Vooral bij maïs is bijsturen lastig. De bemesting vindt grotendeels vóór het groeiseizoen plaats. Pas later blijkt hoeveel stikstof het gewas werkelijk heeft benut.
Eerst weten waar je staat
BodemUP-coach Freek Bovee begeleidt Bas bij het interpreteren van de bodem- en stikstofmetingen. Dit eerste jaar staat in het teken van de nulmeting. “We willen niet meteen naar een doelwaarde toe werken”, legt hij uit. “Eerst moeten we weten wat er gebeurt. Anders weet je ook niet welke maatregel effect heeft.”
De meetresultaten worden per perceel naast de bemesting, het gewas, de bodemtoestand en de weersomstandigheden gelegd. Zo ontstaat geleidelijk een beeld van de verschillen binnen het bedrijf. Waarom blijft op het ene perceel meer stikstof achter dan op een ander perceel dat vrijwel hetzelfde is behandeld? En welke rol spelen gescheurd grasland, drijfmest, een vanggewas of het moment van grondbewerking?
Sommige resultaten leveren meteen aanknopingspunten op. Op een maïsperceel bleek relatief veel beschikbare stikstof aanwezig. Dat kan bij stevige neerslag een risico op uitspoeling betekenen. Freek: “Dan is dit een mooie nulmeting. Volgend jaar kun je op een deel van het perceel een andere bemestingsstrategie toepassen en opnieuw meten. Zo ontdek je wat werkt, zonder dat de maïsopbrengst hoeft te dalen.”
Bemesten naar wat het gewas aankan
Ook bij grasland draait het om timing en benutting. De bodem kan gedurende het seizoen zelf stikstof vrijmaken door mineralisatie. Hoeveel en wanneer dat gebeurt, hangt onder meer af van temperatuur en vocht. In een droge periode groeit het gras minder en neemt het weinig stikstof op. Zodra er regen valt en de bodem weer actief wordt, kan alsnog veel stikstof vrijkomen.
“Als een perceel niets meer nodig heeft, moet je het ook niet geven”, vat Freek samen. “Stem de bemesting af op wat het gewas nog kan opnemen en op wat er al in de grond beschikbaar is.”
Bas herkent daarin de praktische uitdaging. Een melkveehouder heeft te maken met mestopslag, wettelijke uitrijperioden en wisselende weersomstandigheden. Toch ziet hij kansen om preciezer te werken. “Wat je mag gebruiken, wil je ook echt omzetten in gewasopbrengst. Anders verlies je niet alleen stikstof, maar ook opbrengst.”

Leren over meerdere jaren
Eén meetjaar geeft nog geen definitieve antwoorden. Het weer kan de uitkomst sterk beïnvloeden en ook meetmethoden kunnen verschillen. Daarom is het belangrijk om consequent op dezelfde manier te meten en resultaten over meerdere jaren te vergelijken.
Freek ziet zichzelf daarbij nadrukkelijk als coach, niet als handhaver. “Ik wil samen met de ondernemer zien waar de knoppen zitten. Ik geef advies en denk mee, maar de keuzes blijven bij de boer.”
Voor Bas zit precies daar de waarde: zelf kennis opbouwen voordat maatregelen of regels worden opgelegd. De cijfers kijken terug, maar helpen vooral om vooruit te kijken. Per perceel, stap voor stap. Met als doel: stikstof beter benutten, nitraatuitspoeling beperken en een goede gewasopbrengst behouden.
